Figuur 2.2  Creationisten verwachten fossielen te vinden die lijken op levende vormen. Sommige zouden uitgestorven zijn, maar het zouden allemaal gescheiden soorten zijn met enige variaties.

Soorten van fossiele levensvormen
Inleiding
De studie van fossielen, paleontologie genaamd begon omstreeks het begin van de 19e eeuw. In die tijd begon Darwins idee van evolutie in de plaats te komen van het scheppingsidee als belangrijkste mening onder de geleerden. Velen dachten dat de fossielen zouden helpen bij de beslissing welk gezichtspunt het beste zou zijn, evolutie of schepping. De twee opinies leverden inderdaad totaal verschillende ideeën op over de soorten leven die als fossielen gevonden zouden worden.

Laten we nu proberen antwoorden te geven op de twee hoofdvragen: Wat zouden we verwachten te vinden uit de fossielengegevens wanneer schepping waar zou zijn? Wat zouden we verwachten te vinden in de fossielengegevens wanneer de evolutie waar zou zijn?

Voorspellingen gebaseerd op het scheppingsmodel
Creationisten geloven dat alle principieel verschillende soorten planten en dieren in volle maturiteit geschapen werden door een bovennatuurlijke Schepper. Behoudens de uitgestorven soorten zou iedere basissoort geheel compleet in de fossielenrij verschijnen, zonder voorouders in een incomplete vorm. De fossielen zouden moeten aantonen dat levende objecten plotseling ontstaan in vele verschillende complexe vormen. Volgens dit idee, zouden we verwachten fossielen te vinden van verschillende basistypen of groepen die gelijk zijn aan die welke we heden ten dage hebben. We zouden verwachten fossielen te vinden van vissen en amfibieën, maar we zouden niet verwachten fossielen te vinden van vissen die geleidelijk veranderen in amfibieën. Bij de vissen zouden we fossielen verwachten van haaien, palingen, zwaardvissen en katvissen, zonder aanwijzingen dat deze verschillende soorten ooit anders waren.

Bij de ongewervelde fossielen zouden we verwachten wormen, kwallen, sponzen, slakken, zeesterren, koralen en schelpdieren te vinden. Er zouden geen fossielen van tussenvormen verschijnen en we zouden niet verwachten fossielen te vinden die er op zouden wijzen dat een of ander ongewerveld dier geleidelijk veranderde in een vis. Iedere essentieel verschillende plant of diersoort zou in de fossielenreeks moeten verschijnen zonder tussenvorm.

maturitelt: rijpheid of in staat te vermenigvuldigen.

amfibieën: dieren, zoals kikkers, die gewoonlijk eerst in water leven als kikkervisjes en dan op het land als volwassen dieren.

ongewervelden (invertebraten): dieren, zoals wormen en zeesterren, die geen harde ruggegraat hebben.

Figuur 2.1 Bent je klaar om de twee modellen te vergelijken?
Voorspellingen gebaseerd op het evolutiemodel.
Evolutionisten geloven dat alle levende vormen geleidelijk zijn geëvolueerd of ontwikkeld uit een of enkele ééncellige voorlopers. Zij zeggen dat dit gebeurde gedurende vele miljoenen jaren. Dientengevolge zullen rotsen onder in de kolom slechts fossielen kunnen bevatten van erg eenvoudige levensvormen. Fossielen hoger in de kolom zouden een geleidelijke verandering van deze eenvoudige levensvormen in meer complexe vormen van leven moeten tonen. Om deze reden zou men verwachten dat de fossiele gegevens vele tussen- of overgangsvormen zouden opleveren. Gebaseerd op het evolutiemodel zou men voorspellen dat de fossielen ons in staat zouden stellen om van dieren als kwallen, schelpdieren, tribolieten, weekdieren en andere ongewervelde dieren het spoor terug te volgen naar een gemeenschappelijke voorouder. Wetenschapsmensen zouden vele tussenvormen bij deze organismen moeten kunnen vinden. We zouden, volgens dit model, verwachten dat alle huidige levensvormen nauw aaneen zouden sluiten met die in het verleden. In feite zouden we in staat moeten zijn een boom van levensvormen te zien die zich vertakt van erg eenvoudig naar erg complex.
Figuur 2.3 Evolutionisten verwachten fossielen te vinden die een progressieve verandering van het ene organisme naar het andere tonen. Deze zouden moeten opklimmen van enkele eenvoudige vormen naar de vele complexe levensvormen die we heden ten dage zien.
overgangsvormen: levensvormen waarvan verondersteld wordt dat ze aantonen hoe een erfelijke trek verandert in een andere (bijv. schubben in veren) wanneer de ene soort evolueerde in de andere (bijv. reptielen in vogels) - hetzelfde ais tussenvormen.

Laten we de fossielen onderzoeken van de voornaamste groepen planten en dieren. Kunt je de volgende vraag beantwoorden: _Welk model past het best bij de feiten?''

INVERTEBRATA: dieren zonder rugwervels
De overgrote meerderheid van dierlijke fossielen zijn schelpen, afdrukken, afgietsels en andere resten van ongewervelde dieren. Deze dieren zonder ruggegraat omvatten die welke afgebeeld zijn in figuur 2.4.
Figuur 2.4 Ongewerveld zeeleven dat gereconstrueerd werd uit fossielen uit het Ordovicium gevonden bij Madison, Indiana. Herkent u vormen die gelijk zijn aan die welke heden ten dage leven? ... uitgestorven vormen?

(1) zeelelies (2) kwallen (3) sponzen (4) zeester (5) trilobieten (6) nautiloid (7) mossel
(8)brachiopoden (9)zeeëgels (10)gesegmenteerdevorm (11)slakken (12)koraal

Bij Madison (Indiana), zijn hele heuvels bedekt met zulke fossielen. Rivierbeddingen schijnen ermee geplaveid te zijn. Miljoenen specimens uit duizenden tonnen gesteente zijn verzameld vanuit de hele wereld. Wat schijnt dit bewijsmateriaal ons te vertellen? Onderzoek de gegevens in figuur 2.4.

Figuur 2.5 Diorama van zeeleven uit het Cambrium . In hoeverre zijn deze planten en dieren aan de basis" van de geologische, kolom gelijk aan die van vandaag? In hoeverre verschillen zij?
Wanneer u de soorten wezens gezien hebt die tegenwoordig in de oceanen leven, zou u kunnen denken dat figuur 2.5 een plaatje is van het leven aan de kust van een of ander eiland in de Zuidzee. Maar dat is het niet. Figuur 2.5 is een foto van een diorama in het American Museum of Natural History dat toont hoe het zeeleven eruit zag toen de fossielen uit het Cambrium levend wgren.
Het Cambrium zit onderaan de geologische kolom (figuur 2.7). Volgens het evolutiemodel zijn de levensvormen van het Cambrium de eerste vormen van leven op aarde die veel fossiele resten kunnen nalaten.
Wat vinden we in werkelijkheid in de gesteentes van het Cambrium volgens bekende wetenschappelijke gegevens? Lijkt het er echt op dat er een paar soorten fossielen zijn die tussen mosselen en slakken in staan?
Cambrium: de basis van de geologische kolom, ofwel fossielen van het eerste stadium van de evolutie (evolutiemodel) ofwel de levenszóne die het eerst begraven werd bij een grote katastrofe (scheppingsmodel).
Figuur 2.6 Kammosselschelpen en twee soorten slakken. De ene van elk paar is een fossiel, en de andere is een moderne schelp.
Figuur 2.7 Er worden veel complexe ongewervelde dieren gevonden in de lagen van tegenwoordig levende vormen lijken daarop maar tonen minder variëteiten. Wat betekent deze vergelijking voor jou?
octopusgroep: de oktopus, pijlinktvis en andere zeedieren met spierlichamen, lange tentakels, ogen en soms een schelp,

nautildid: een pijlinktvisachtig dier met een rechte of gedraaide schelp gelijkend op de nog levende nautilus (blz. 28).

geklassificeerd: geplaatst in groepen die op een of ander manier geordend zijn.

brachlopoden: (armvoetigen of armpotigen) dieren met armen of tentakels die tussen een boven- en onderscheip leven. (Figuur 1.4)

Crindiden: zeelelies: leden van de zeestergroep waarvan de "stammen" dikwijls als fossielen gevonden worden. (Figuur 2.4)

De grootste en meest complexe van alle ongewervelde dieren, de leden van de octopusgroep, hebben ogen die veel op de onze lijken. Zij worden eveneens helemaal in het begin van de kolom in het Cambriumgesteente gevonden. Deze vormen uit het Cambrium (nautildiden) hebben een lange rechte schelp (wel 3 meter lang!), terwijl de moderne Nautilus een gewonden schelp heeft.
Sommige fossiele koralen hebben schelpen en moderne niet. Fossiele slakken hebben kleine verschillen in hun korrels en stekels waardoor ze geklassificeerd kunnen worden als verschillende soorten slakken. Maar al deze schepsels worden gemakkelijk herkend als slakken en lijken erg veel op de moderne vormen die wij zien.

De fossielen tonen ook aan dat er in het verleden een grotere variatie zeeleven bestond dan we tegenwoordig hebben. Al de tribolieten en de meeste van de armpotigen (brachiopoden) zijn uitgestorven. Hoewel enkele zeelelies (crindiden) nog leven in de diepe oceanen, zijn de zeer velen die eens uitgestrekte onderzeese tuinen vormden voor altijd verdwenen. Van al de grote complexe pijlinktvisachtige dieren zijn slechts de Nautilus en een paar soorten schaalloze pijlinktvissen en octopussen over.

Wanneer we fossiele zeeschepsels vergelijken met vormen die tegenwoordig leven zouden we ons misschien afvragen, "Wat gebeurde er"? "Waar bleven al die nautiloïden?... de zeelelies?., . . de tribolieten?... de armpotigen?" Onder dje ongewervelde dieren is tegenwoordig alleen de mossel- en slakkengroep in grotere verscheidenheid aanwezig dan als fossielen.
Paleontologen hebben rotsen uit het Precambrium intensief onderzocht op voorouders van de dieren uit het Cambrium. Daniel Axelrod, een Amerikaanse paleontoloog, stelde vast dat dit een onopgelost probleem is. Na bespreking van de gevarieerde typen die gevonden worden in het Cambrium, zei Axelrod dat hun voorouders nergens te vinden zijn. Hij merkt op dat er vele rotsen bestaan die deze fossiele voorouders zouden moeten bevatten, als ze bestonden. Echter er zijn geen fossielen gevonden; integendeel, het leven schijnt plotseling ontstaan te zijn. Welk model wordt het best door deze feiten gesteund?
“Een van de grootste onopgeloste problemen van de geologie en evolutie is het voorkomen van gevarieerde, meercellige ongewervelde zeedieren in de lagere gesteenten van het Cambrium op al de continenten en hun afwezigheid in rotsen van hogere leeftijd” 1).

'Wanneer we echter de gesteenten van het Precambrium gaan onderzoeken op voorlopers van deze vroege fossielen uit het Cambrium, zijn ze nergens te vinden. Het is bekend dal vele (meer dan 1 500m) dikke gedeelten sedimentgesteenten in ononderbroken opvolging liggen onder lagen die de eerste fossielen uit het Cambrium bevatten. Deze sedimenten waren klaarblijkelijk geschikt voor de conservering van fossielen want zij zijn dikwijls identiek met de erboven liggende fossielhoudende rotsen, toch zijn er geen fossielen in gevonden”1)

1. Creationisten denken dat vele verschillende levende organismen bestaan hebben als aparte soorten sinds de schepping. Geeft onze kennis van de fossielen uit het Cambrium enige steun aan dit gezichtspunt?
2. Evolutie wordt gewoonlijk voorgesteld als een progressieve ontwikkeling van eenvoudige naar meer complexe en gedifferentieerde vormen van leven. Zijn de tribolieten uit het Cambrium eenvoudige dieren? Wat te zeggen van de nautiloïden uit het Cambrium? Lijken de slakken en mosselen uit het Cambrium eenvoudiger dan de moderne slakken en mosselen?
3. We vinden als fossielen veel meer verschillende soorten ongewervelde zeedieren dan er tegenwoordig leven. Wijst dit uitstervingspatroon in de richting van evolutie of schepping? Verklaar.
4. Axelrod vermeldt dat ongewervelde dieren plotseling in de rotsen van het Cambrium verschijnen. Hoe interpreteren creationisten dit? ... en evolutionisten?
5. Vergelijk de ongewervelde fossiele gegevens met de voorspellingen gebaseerd op de evolutie- en schepping modellen. Welk model schijnt het best met de feiten in overeenstemming te zijn? Geef voorbeelden van de sterkste bewijzen die je standpunt ondersteunen.
Figuur 2.8 Wat vertellen ongewervelde fossielen ons over de geschiedenis van het Ieven.