Het fossielenonderzoek is een uitdaging en wordt gekenmerkt door forse meningsverschillen. Tegenwoordig geloven velen dat ze de overblijfselen zijn van tijdens de zondvloed omgekomen organismen, terwijl anderen ze beschouwen als de restanten van geëvolueerde organismen
In de onderste regionen van de geologische kolom vind je eenvoudige organismen.
De meeste diergroepen verschijnen plotseling tijdens de 'Cambrische explosie'. In de daarboven liggende aardlagen worden verschillende typen planten, reptielen en zoogdieren aangetroffen.
Ontdekkingen zoals de Cambrische explosie zijn een probleem voor de evolutionistische interpretaties, die een geleidelijke ontwikkeling veronderstellen.
Over het algemeen zien we een vergaande sortering van organismen op de verschillende niveaus van de geologische kolom en krijgen we een indruk van toenemende complexiteit als we de organismen van onder tot boven in de geologische kolom volgen. Dat patroon wordt beschouwd als een overtuigend bewijs voor evolutie. Maar de beperkte vooruitgang hoeft geen weerspiegeling te zijn van een geleidelijke ontwikkeling. Mobiliteit en drijfvermogen tijdens een wereldwijde zondvloed kunnen ook een schijnbare vooruitgang veroorzaken. Het is ook van belang dat recente organismen over het algemeen in een volgorde van toenemende complexiteit in en op de aarde leven. Het begint met ééncellige organismen in de diepere aardlagen, daarna complexere organismen in de laag gelegen, mariene omgevingen en tot slot nog complexere organismen in de hoger gelegen, terrestrische gebieden. In het kader van het geleidelijk stijgende water van een wereldwijde catastrofe, zoals de zondvloed, verwachten we een soortgelijke volgorde in het fossiel archief aan te treffen en dat is ook het geval.