2.4. Fossielen tonen evolutie aan

In een schoolboek staat bijvoorbeeld: veel aanwijzingen over de evolutie van het leven op aarde heeft men verkregen door fossielen te bestuderen. Fossielen zijn overblijfselen of resten van planten en dieren die geconserveerd zijn in steenafzettingen.
Volgens de evolutieleer is er een ontwikkeling van minder complexe levensvormen naar meer complex en zal men de minder complexe vormen in oudere sedimentgesteenten vinden. Hierop zijn verschillende namen van de sedimentgesteenten bepaald. De ouderdom van een laag bepaald men door radioactieve datering van de vulkanische insluitsels in de laag. Is eenmaal de ouderdom van een laag vastgesteld dan worden bepaalde fossielen in die laag gebruikt om andere lagen te dateren. Deze fossielen worden gidsfossielen genoemd.


Enkele feiten

De meeste fossielen zien er uit als schepselen die tegenwoordig nog leven: mosselen, slakken, zeesterren, enz.
Af en toe ontdekt men 'levende gidsfossielen', dat zijn gidsfossielen waarvan plots levende exemplaren opduiken.
Tot 1938 bewees een vondst van de fossiele Coelacanthus (boven) bijvoorbeeld dat een aardlaag 70 tot 220 miljoen jaar oud was, omdat deze vis nooit in een later tijdperk werd gevonden... totdat men in 1938 en later deze soort levend aantrof in de buurt van Madagascar! (onder).
Conclusie: Een laag die volgens de evolutietheorie 200 miljoen jaar oud is, kan dus ook 5000 jaar geleden gevormd zijn.